top of page
  • Foto van schrijverJoost van Ladesteijn

Hof van justitie vandaag: Verbod op dragen van religieuze tekens


Hof van justitie vandaag: een openbaar bestuur kan onder voorwaarden het dragen van religieuze tekens verbieden

Een interne regel van een gemeente die op algemene en niet-gedifferentieerde wijze het personeel daarvan verbiedt om op het werk zichtbare tekens te dragen waaruit met name levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen blijken, kan worden gerechtvaardigd door de wens van de gemeente om, rekening houdend met de specifieke eigen context, een volkomen neutrale overheidsomgeving tot stand te brengen, mits die regel geschikt, noodzakelijk en evenredig is in het licht van die context en gelet op de in het geding zijnde rechten en belangen.


Zeven take aways:

  1. Directe discriminatie: verbod dragen tekens op het werk onlosmakelijk verbonden met een of meerdere bepaalde godsdiensten of overtuigingen.

  2. Geen directe discriminatie: verbod dragen tekens op het werk geldt zonder onderscheid voor alle uitingen van dergelijke overtuigingen en behandelt alle werknemers van de onderneming op dezelfde wijze door hen op algemene en niet-gedifferentieerde wijze met name te verplichten zich neutraal te kleden, wat het dragen van dergelijke tekens uitsluit.

  3. Indirecte discriminatie: verbod dragen tekens op het werk, waarbij vaststaat dat de in die regel opgenomen ogenschijnlijk neutrale verplichting in feite tot gevolg heeft dat personen die een bepaalde godsdienst aanhangen of een bepaalde overtuiging hebben bijzonder worden benadeeld.

  4. Geen indirecte discriminatie: verschil in behandeling door verbod dragen tekens op het werk is objectief gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel zijn passend en noodzakelijk.

  5. Legitiem doel: dit kan zijn het beginsel van strikte neutraliteit van de openbare dienst. Richtlijn 2000/78 voorziet slechts in een algemeen kader. Lidstaten, hun lagere overheden, hebben een beoordelingsmarge om rekening te houden met de specifieke eigen context, gezien hun diverse benaderingen wat betreft de plaats die zij binnen hun staat willen toekennen aan godsdienst of levensbeschouwelijke overtuigingen in de publieke sector.

  6. Geschiktheid: het ic door de gemeente beoogde doel van “exclusieve neutraliteit” dient daadwerkelijk coherent en systematisch te worden nagestreefd en niet verder te gaan dan strikt noodzakelijk. Het kan alleen doeltreffend worden nagestreefd, indien bij contacten tussen werknemers en gebruikers van de openbare dienst of tussen werknemers onderling geen enkele zichtbare uiting van met name levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen is toegestaan.

  7. Een belangenafweging is aanvullend vereist door de lidstaat in het licht van alle kenmerken van de context waarin het verbod is vastgesteld, rekening houdend met ten eerste de betrokken grondrechten en beginselen, waaronder de vrijheid van godsdienst en het neutraliteitsbeginsel.


bottom of page