Turboliquidatie en bestuurdersaansprakelijkheid: wanneer een verwijt geen doel treft
- Caspar van der Winden

- 6 uur geleden
- 2 minuten om te lezen
Turboliquidatie heeft de reputatie dat bestuurders er een vennootschap — en haar schulden — mee kunnen laten verdwijnen. Een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (3 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3435) laat de grenzen van dat wantrouwen zien. Een werknemer met een toegewezen loonvordering sprak na de turboliquidatie de oud-bestuurder aan en stelde dat de ontbinding onrechtmatig was. De kantonrechter wees de vordering af — een heldere illustratie van waar persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid na een turboliquidatie wél en níét begint.

Turboliquidatie is op zichzelf niet onrechtmatig
Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW houdt een vennootschap die op het moment van ontbinding geen baten heeft, onmiddellijk op te bestaan, zonder formele vereffening. Hier was de vennootschap op 11 december 2024 op die manier opgeheven wegens gebrek aan baten. Omdat aan de voorwaarden voor turboliquidatie was voldaan, rustte op de bestuurder geen plicht om het faillissement van de vennootschap aan te vragen. Het enkele feit dat een schuldeiser — een werknemer met een loonvonnis — daardoor onbetaald bleef, is op zichzelf niet onrechtmatig.
Aansprakelijkheid vergt een persoonlijk ernstig verwijt
Het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar eigen schulden. Een bestuurder is slechts in uitzonderlijke gevallen persoonlijk aansprakelijk, namelijk wanneer hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt — een bewust hoge drempel, want bestuurders zijn niet aansprakelijk voor elke fout. Bij onbetaald gebleven schulden is het beslissende onderscheid dat tussen betalingsonwil en werkelijke betalingsonmacht. Alleen onwil, gecombineerd met nog aanwezige baten, kan aansprakelijkheid dragen.
Waarom het verwijt geen doel trof
De werknemer stelde enkel dat het niet betalen van zijn loon — terwijl er een loonprocedure liep — een persoonlijk ernstig verwijt opleverde. De kantonrechter vond dat onvoldoende. Beslissend was dat, nadat de bestuurder gemotiveerd had gesteld dat er geen baten waren, de stelplicht en bewijslast dat er wél baten waren bij de werknemer kwam te liggen — en die maakte hij niet waar. Nu geen resterende baten waren aangetoond en geen betalingsonwil vaststond, trof het verwijt dat de bestuurder 'ten onrechte' was overgegaan tot turboliquidatie geen doel, en kon de ontbinding niet als onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW worden gekwalificeerd.
Wat dit betekent voor bestuurders en schuldeisers
Voor bestuurders: turboliquidatie blijft verdedigbaar als er werkelijk geen baten meer zijn — maar leg die positie gedocumenteerd vast, want u kunt worden gevraagd haar te onderbouwen. Voor schuldeisers en werknemers: verontwaardiging is niet genoeg. Om een bestuurder na een turboliquidatie persoonlijk aansprakelijk te houden, moet u aannemelijk maken dat er nog baten waren én dat het niet-betalen voortkwam uit onwil in plaats van onmacht. Tijdig onderzoek naar de financiële positie van de vennootschap is essentieel.
Turboliquidatie is voor bestuurders geen vrijbrief, en evenmin automatisch onrechtmatig tegenover wie onbetaald achterblijft. Zoals deze uitspraak bevestigt, draait aansprakelijkheid om twee vragen: waren er nog baten, en was het niet-betalen een kwestie van niet-willen in plaats van niet-kunnen? Is het antwoord op beide nee, dan strandt zelfs de vordering van een sympathieke schuldeiser.
Deze blog bevat algemene informatie en is geen juridisch advies. Voor advies over een specifieke situatie kunt u contact met ons opnemen.




